logo

Postbus 336
2400 AH
Alphen aan den Rijn
Rijndijk 263a
2394 CE
Hazerswoude-Rijndijk

Tel. +31 (0)71 3415146,
Fax +31 (0)71 3415829
info@rhizopon.com
1385743405_facebook_square
1385743392_youtube_square_color
1385743401_twitter_square

Vijftig jaar voor en na Wents proefschrift.

"Oats, peas, beans and barley grow,
Oats, peas, beans, and barley grow,
Can you, or 1, or anyone know
How oats, peas, beans and barley grow?"

Met dit oude Engelse wiegeliedje openen Went en Thimann in 1937 hun boek 'Phytohormones'. Speelde dit liedje Charles Darwin door het hoofd toen hij, vijftig jaar voor Went, de groei van juist deze planten onderzocht? In zijn boek 'The power of movement in plants' (1880) beschrijft Darwin hoe haverkiemplanten bij zijdelingse belichting over hun gehele lengte naar de lichtbron toe krommen. Deze kromming werd toen reeds toegeschreven aan een snellere groei aan de schaduwzijde dan aan de belichte kant van de kiemplant. De belangrijke ontdekking van Darwin was, dat de kromming van de kiemplant over de gehele lengte in de regel sterk verminderd was, als hij het topje van de kiemplant bedekte met een stukje zwart geverfde schacht van een ganzeveer (Afbeelding. 1). Als het stukje schacht niet geverfd was en dus licht doorliet, kromde het kiemplantje normaal.


afbeelding 1

Uit deze proeven, die ook bij andere plantensoorten soortgelijke effecten opleverden, concludeerde Darwin dat licht niet direct inwerkt op het krommende deel van de kiemplant, doch slechts op het topje ervan, en daar een effect veroorzaakt dat vervolgens naar beneden toe wordt doorgegeven en tot kromming leidt. Hiermede ontdekte Darwin de correlatieve aard van de fototrope kromming. Deze wisselwerking tussen top en onderliggend weefsel onder invloed van belichting deed hem denken aan de prikkelgeleiding door zenuwen bij dieren. Ook voor de geotrope reactie van wortels, dat is het groeien van wortels in de richting van de zwaartekracht, vind Darwin een onderscheid tussen de uiterste top, die de zwaartekracht prikkel ontvangt, en de op enige afstand daarvan gelegen strekkingszone, waarin de buigingsreactie optreedt. Darwin achtte deze tropistische reacties, waarvan de grootte ruwweg door de grootte van de prikkel wordt bepaald, nuttige aanpassingen van de soort in diens 'struggle for life'.

In het begin van de 20ste eeuw bewees Boysen Jensen dat de prikkelgeleiding bij de fototrope kromming van haver kiemplanten van materiÎle aard is. Hij liet zien dat onttopte kiemplanten niet meer tot fototrope kromming in staat zijn, maar weer wel indien de afgesneden top rechtstreeks op het snijvlak werd teruggeplaatst en met wat cacaoboter of gelatine werd vastgezet (fig. 1). Op grand van deze waarnemingen suggereerde Boysen Jensen dat er een chemische geleiding van de prikkel van de top uit naar beneden toe plaatsvindt, maar de conclusie dat een specifieke groeistof werd verplaatst trek hij nog niet.

Dit idee was voorbehouden aan Paal, die tijdens de Eerste Wereldoorlog de proeven van Boysen Jensen herhaalde, en ook daarbij tussen de beide snijvlakken van de top en de rest van de kiemplant gelatine of cacaoboter aanbracht. Paal vind dat de stimulus wel gelatine kon passeren, doch niet cacaoboter, mica of platinafolie. Hij ontwikkelde nog een interessante variant door kromming te laten optreden zonder eenzijdige belichting door de afgesneden top slechts met een deel van het snijvlak van de plant contact te laten maken. De kiemplant kromt dan naar de tegenovergestelde zijde toe, omdat onder de top de meeste groei optreedt (Afbeelding. 1). Dit leidde bij Paal tot de veronderstelling dat de top een 'groeiregulerend centrum' is, dat een correlatiedragende stof vormt en naar beneden toe afscheidt. Bij eenzijdige belichting zou deze stof minder gevormd of fotochemisch geÔnactiveerd worden, dan wel in zijn benedenwaarts transport geremd worden. Paal verplaatste hiermede de correlatiedrager van de nerveuze sfeer naar die van de hormonen, zoals men sinds Bayliss & Starling (1904) de stoffen noemt die bij dieren worden gevormd in klieren met interne secretie. Deze dierlijke hormonen kunnen na transport in het circulatiesysteem in zeer geringe hoeveelheden hun specifieke werking op bepaalde organen uitoefenen (Lever & De Wilde, 1978).

In de twintiger jaren is meermalen getracht de groeibevorderende stof te isoleren, die waarschijnlijk in slechts hormonale hoeveelheid de plantengroei zou beÔnvloeden. Deze poging is voor het eerst met succes uitgevoerd door Frits Went, die hierover reeds voorlopig berichtte in 1926 in een in het Nederlands gesteld artikel. Daarin noemt hij de geìsoleerde stof(fen) groeiregulaar(s). Na zijn promotie op 14 november 1927, wordt het onderzoek dus internationaal bekend gemaakt in het artikel 'Wuchstoff und Wachstum', verschenen in het Recueil des Traveaux botanique Neerlandais van 1928.